slideshow

Stotteren

Bij het uitspreken van woorden en zinnen zijn ongeveer honderd spieren betrokken die beurtelings aanspannen en weer loslaten, afhankelijk van de klank die moet worden uitgesproken. Elke spier moet dus de juiste beweging maken met de juiste kracht, op het juiste moment. De hersenen sturen, coördineren en controleren al de bewegingen van onze spreekspieren. Zij zorgen er ook voor dat deze uitgevoerd worden met de juiste timing. Uit onderzoek blijkt dat een stotterende spreker duidelijk meer moeite heeft om deze bewegingen nauwkeurig op elkaar af te stemmen of te timen. Dit heeft tot gevolg dat hij klanken herherherhaalt of vvvvvverlengt. Soms blokkeert de spreker zodat hij niet verder kan spreken. Daarom spreken we bij stotteren van een neuro-musculaire timingstoornis.

Waarom stottert iemand?

Er bestaat een factor ‘aanleg’ die bepalend is of een kind al of niet zal gaan stotteren. Niet alle mensen met een aanleg voor stotteren zullen ook daadwerkelijk gaan stotteren. Wie geen aanleg heeft, zal niet beginnen stotteren, wat er ook gebeurt.
Mensen met een lichte aanleg zullen alleen gaan stotteren in ongunstige omstandigheden, waarbij uitlokkende factoren een rol gaan spelen.
We kunnen deze factoren in drie groepen verdelen:

  • snelheidsfactoren
  • spanningsfactoren
  • belemmeringen

Bestaan er verschillende vormen van stotteren?

Stotteren is dus een samenspel tussen aanleg voor timingsproblemen en uitlokkende omstandigheden. Mensen die stotteren kunnen op verschillende manieren met hun stotteren omgaan. Meestal denken ze dat stotteren niet mag en dus weg moet, waardoor er spanning ontstaat.

Er zijn drie typische manieren om op deze spanning te reageren:

  • vechten: het stotteren wordt krampachtiger of er ontstaan meebewegingen zoals: persen met de lippen, duwen met de tong tegen de tanden of het gehemelte, duwen op de stembanden in de keel, zodat de stem hard gaat klinken of in toonhoogte gaat stijgen. Sommigen gaan zelfs met armen en benen meebewegen om nog meer kracht te ontwikkelen. Heel hard duwen leidt tot blokkeringen, zodat ze niets meer kunnen zeggen.
  • vluchten: het stotteren wordt zoveel mogelijk verstopt of vermeden. Sommigen stoppen met praten en weigeren om het verder nog te proberen. Anderen zoeken andere woorden, veranderen de woordvolgorde in hun zin, zoeken ‘startwoorden’ of ‘startgeluiden’ om te kunnen praten. Kortom: ze gebruiken trucjes om zo vloeiend mogelijk te kunnen praten.
  • bevriezen: het stotteren wordt langduriger doordat de persoon als het ware bevriest in zijn paniek. De persoon heeft het gevoel niets te kunnen doen aan het stotteren. Iemand die bevriest in zijn stotters, duwt de woorden er niet uit, hij vermijdt ze ook niet, hij laat ze heel lang duren.

Hoe iemand reageert wordt bepaald door zijn geaardheid, zijn persoonlijkheid, zijn ervaringen, zijn attituden en zijn denkstijl.

Wanneer zoek je best hulp?

Als het stotteren ernstige beperkingen veroorzaakt in het sociaal functioneren of het emotioneel welbevinden, dan kan je best advies inwinnen bij een in stotteren gespecialiseerde logopedist of bij en centrum voor ambulante revalidatie.
In dit centrum kan je terecht voor diagnostiek en behandeling. Hiervoor beschikken wij over een vast gespecialiseerd stotterteam.
Door tijdig in te grijpen kunnen veel complicaties voorkomen worden.

Download de volledige folder over stotteren (pdf)
Informatiebrochure stotteren bij jonge kinderen voor leerkrachten (pdf)
Informatiebrochure stotteren bij oudere kinderen voor leerkrachten (pdf)